Zoek binnen de handleiding:


Skip to end of metadata
Go to start of metadata

Vanaf Logivert 7.3.2.12 is het mogelijk om Remarketingvariabelen automatisch in de pagina te injecteren, zonder hiervoor code-snippets in te hoeven voeren binnen de pagina.

Do Not Track HTTP-Header

Remarketing via Google Tag Manager wordt niet uitgevoerd, indien de bezoeker heeft aangegeven dat zijn Browsegegevens niet moeten worden bijgehouden.

Tags koppelen in Google Tag Manager

Door tags te koppelen in Google Tag Manager, kan je automatisch extra tags toevoegen aan uw website, zonder dat hiervoor een nieuwe publicatie nodig is.

Binnen Google Tag Manager kan je onder andere AdWords-campagnes, Analytics-tracking en (Facebook)-pixels automatisch laten injecteren op basis van vooraf aangegeven triggers.

Vanaf Equinoxe 8.0.0.35 kunnen gebruikers zelf aangeven in welke mate zij getracked willen worden en welke cookies er geplaatst worden. Google Tag Manager kan deze voorkeuren respecteren, daar zijn echter wel nog handelingen aan uw kant voor nodig. Lees meer in het artikel GDPR - Cookie-voorkeuren respecteren in Google Tag Manager


Stappenplan

  1. Controleer of je de laatste versie van Logivert gebruikt.
  2. Zorg ervoor dat je gebruik maakt van de standaard "base.html.twig" die wordt meegeleverd met de Equinoxe-build. Indien er voor een template aanpassingen zijn gemaakt aan base.html.twig, dan is het mogelijk dat de Ordertracking niet naar behoren werkt. Zie het kopje "Aangepaste Basetemplate" verderop voor instructie hoe een aangepaste template bijgewerkt kan worden.
  3. In de Backoffice:
    1. Geef bij Eigenschappen → Instellingen → Webwinkel → Zoekmachines en Statistieken jouw Google Tag Manager-ID op. Deze wordt vervolgens opgenomen in de webwinkelconfiguratie, waarna Google Tag Manager automatisch wordt ingeladen bij het laden van de pagina.
    2. Vink in ditzelfde scherm ook de optie Remarketing variabelen genereren aan.
    3. Draai een volledige Voorbeeldpublicatie 
  4. In het Beheerpaneel van Google Tag Manager:
    1. Maak een Variabele aan om de Remarketingvariabelen uit te lezen. Deze worden doorgegeven via de Gegevenslaag, sleutel google_tag_params
      1. Kies Variabelen aan de linkerkant van de werkruimte
      2. Kies onder Door de gebruiker gedefinieerde variabelen voor Nieuw
      3. Kies het Variabeletype "Paginavariabelen → Variabele voor gegevenslaag"
      4. Geef bij "Naam van variabele voor gegevenslaag" de tekst "google_tag_params" op (zonder aanhalingstekens) en kies Opslaan
      5. Geef een herkenbare naam aan de variabele, bijvoorbeeld Remarketingvariabelen en kies Opslaan.
      6. Je keert terug naar het overzicht van variabelen. Klik op de naam van de nieuw toegevoegde variabele als je de gegevens wilt controleren. Deze dienen overeen te komen met onderstaande screenshot:
    2. Maak een Trigger aan zodat de Remarketing-tag juist kan worden uitgevoerd
      1. Kies Triggers aan de linkerzijde van de werkruimte
      2. Kies Nieuw
      3. Kies als Type Trigger: Aangepaste gebeurtenis
      4. Geef als Naam van gebeurtenis de waarde "fireRemarketingTag" op, zonder aanhalingstekens
      5. Laat de Trigger activeren op Sommige aangepaste gebeurtenissen, indien de Page URL overeen komt met de Reguliere expressie .*
      6. Maakt u gebruik van Equinoxe 8.0.0.35 of later? Volg dan ook de stappen in het artikel GDPR - Cookie-voorkeuren respecteren in Google Tag Manager
      7. Sla de trigger op onder een herkenbare naam
    3. Configureer AdWords, indien deze nog niet aan TagManager is gekoppeld:
      1. Kies Tags aan de linkerzijde van de werkruimte
      2. Kies Nieuw
      3. Klik op Tagconfiguratie en kies AdWords-remarketing
      4. Geef bij Conversie-ID het ID op van jouw AdWords-campagne,
      5. Geef bij Conversielabel een optioneel Conversielabel op, indien deze is ingesteld binnen AdWords
      6. Selecteer onder "Aangepaste parameters" voor "Gegevenslaag gebruiken" en selecteer de variabele die je in stap 4a hebt aangemaakt.
      7. Wil je niet dat het testen (stap 5) leidt tot daadwerkelijke calls naar AdWords? Vink dan onder Geavanceerde instellingen de optie "Deze tag alleen activeren in gepubliceerde containers" aan.
        De Adwords-Remarketing-tag wordt dan niet uitgevoerd in het voorbeeld, maar je krijgt wel te zien wat zou worden ingeschoten als de tag wel zou worden uitgevoerd.
      8. Koppel aan deze Tag de Trigger die je in stap 4b hebt aangemaakt.
      9. De configuratie van deze tag is nu als onderstaande schermafbeelding
      10. Sla de tag op onder een herkenbare naam
    4. Test de Tag: Kies "Voorbeeld". Als het goed is, verschijnt nu een gele melding als in onderstaande schermafbeelding
    5. Verschijnt de melding niet? Zorg ervoor dat tagmanager.google.com en localhost cookies mogen aanmaken, en toegang hebben tot indirecte cookies.
  5. In de browser waarin de Voorbeeldpublicatie is geopend
    1. Vernieuw het publicatievoorbeeld. Er opent nu onderaan de pagina een frame van Google Tag Manager, met een overzicht welke Tags zijn getriggered.

    2. Controleer of de Tag die je in stap 4c hebt aangemaakt, wordt vermeld tussen de Tags Fired On This Page, of de Tags Not Fired On This Page indien je bij stap 4c-vii de optie Deze tag alleen activeren in gepubliceerde containers hebt aangevinkt.
    3. Wordt de tag vermeld? Goed nieuws! De Remarketingtag is juist geconfigureerd! Je kan nu verder naar stap 6.
    4. Wordt de tag niet vermeld? Of is het Google Tag Manager-frame niet geopend? Dan is er iets niet goed gegaan... Ga terug naar stap 4 en probeer het opnieuw. Controleer ook of Do Not Track is uitgeschakeld in jouw browser.
  6. Indien de tests zijn geslaagd:
    1. Draai een publicatie van uw webwinkel; hierbij dient minstens Gegevens → Algemeen gepubliceerd te worden.
      Is het gtm_id opgegeven in theme/*/template.yml? Publiceer dan de Template mee.
    2. Terwijl de publicatie draait, ga terug naar het Beheerpaneel van Google Tag Manager en klik rechtsbovenin op Verzenden. De wijzigingen worden nu online doorgevoerd
    3. Klik op Voorbeeldmodus sluiten in de oranje balk om de debugger uit te schakelen.